donderdag 11 juli 2013

Doorstapt

Doorstapt

Stappen stappen, niet stilstaan, doorgaan,  verder verder, voorbij pijn , voorbij verdriet, voorbij angsten, voorbij de Molenbeek, voorbij je eigen zorgen, voorbij je eigen ego, een muis piept vanuit de hoogte, verrast kijk ik omhoog en zie de grote valk wiens honger even gestild zal zijn, een warm, bloedig intermezzo ten spijt, twee jonge teleurgestelde valken draaien verder in hun hongerig wals boven het veld. In mijn oren huldigt Klara de éne na de andere lokale muzikale held. We houden van het bekende nietwaar, het vreemde bevreemdt ons. Angsthazen die we zijn, zelfs in onze eindeloze zoektocht naar schoonheid.
 Mijn tempo blijft rond de 5,5 km per uur hangen en lichamelijke pijn blijft uit. Het hoofd raast echter veel sneller, harder en schreeuwt de éne vraag door de andere in mijn hotsende, klotsende hoofd. Chaos en rare sprongen heersen hun dictatuur, anders dan mijn benen kan ik ze niet sturen, mijn hersentjes willen teveel bevatten, willen begrijpen, verklaren, vermijden, voorkomen, genezen, helen, willen dat doen wat hen niet gegeven is.
Willen zijn.
 De tegenstrijdigheid van het leven dringt zich op. Hard, schroeiend, murwmakend. Hoe ik ook probeer, ik kan de wereld mijn wil niet opleggen,   ik besta enkel in de anderen, zij bestaan enkel in mij, en toch kan ik alleen maar zelf handelen, zoals zij alleen maar “zichzelf” kunnen handelen. Als ik voor hen iets wil doen moet mijn ik dat doen, moet ik niet willen dat zij doen. Ik, die ik die je opzij hoort te zetten voor anderen, die ik die noodzakelijk is om te zijn, om te zijn voor anderen. Om er te zijn voor anderen.  Zonder ik geen anderen, zonder ik geen iets, geen niets. Zonder ik geen ik in u.

 De angst drijft me verder in mezelf en daar diep in mezelf ben ik een norse harde gesprekspartner die in discussie met mezelf me nog dieper  de ellende van Dante Alighieri’s spelonken instuurt. La Divina Comedia, Condition Humain. Sarcasme zo u wil. En toch is net daar ergens een vonk van hoop, geen licht is feller dan dat in de diepste duisternis. Zolang ik maar niet moet aanhoren dat het toch niets uitmaakt, dat het toch nooit voldoende is, dat het toch nooit zal veranderen. Want dat, dat is tien meter pek rond je hoofd. Dat iets al dan niet onbereikbaar bleek of blijkt kan en zal best zijn, dat mag men de mens niet aanrekenen, Impossibilium nulla obligatio est. Dat we er niet naar trachten,getracht zouden hebben, daarentegen is geheel en al onze eigen hoogst persoonlijke verantwoordelijkheid.

Van u hetzelfde hopend,
Ongeacht,

Herman Jambé